Advectie
Horizontaal transport van lucht en eigenschappen zoals warmte en vocht door de wind.
Uitleg van veelgebruikte én technische weertermen. Zoek op een begrip of filter op onderwerp.
134 begrippen zichtbaar
Horizontaal transport van lucht en eigenschappen zoals warmte en vocht door de wind.
Het deel van het invallende zonlicht dat door een oppervlak wordt teruggekaatst. Sneeuw heeft bijvoorbeeld een hoog albedo.
Instrument waarmee windsnelheid wordt gemeten.
Een hogedrukgebied met dalende lucht. Vaak hoort daar rustig en relatief droog weer bij.
Verlies van grip doordat een laag water tussen band en wegdek ontstaat.
De gaslaag rond de aarde waarin het weer zich grotendeels afspeelt.
Meetinstrument voor luchtdruk, meestal uitgedrukt in hectopascal.
Schaal van 0 tot en met 12 waarmee windkracht wordt aangeduid op basis van de gemiddelde windsnelheid.
De mate waarin de hemel door wolken bedekt is.
Elektrische ontlading in of tussen wolken, of tussen een wolk en de aarde.
Temperatuur van de bodem op of onder het aardoppervlak.
Neerslag die uit convectieve wolken valt en vaak plotseling begint en eindigt.
Lijnvormige zone met buien, soms met onweer, zware regen en windstoten.
Maat voor de hoeveelheid potentiële energie voor stijgende lucht. Een hogere CAPE kan gunstig zijn voor krachtige buien, maar zegt niet alles over onweerskansen.
Temperatuurschaal waarbij water bij normale luchtdruk rond 0 °C bevriest en rond 100 °C kookt.
Hoge, dunne sluierbewolking die vaak een halo rond zon of maan kan veroorzaken.
Hoge, dunne wolken die vooral uit ijskristallen bestaan.
Overgang van waterdamp naar vloeibare waterdruppeltjes, bijvoorbeeld bij wolkenvorming.
Verticale luchtbeweging doordat warmere lucht opstijgt en koudere lucht daalt.
Zwaar ontwikkelde buienwolk die onweer, hagel, zware regen en windstoten kan veroorzaken.
Stapelwolk die ontstaat door opstijgende warme lucht.
Algemene benaming voor een grootschalig lagedrukgebied met ronddraaiende luchtstroming.
Waterdruppeltjes die ontstaan wanneer oppervlakken afkoelen tot onder het dauwpunt.
Temperatuur waarbij lucht bij afkoeling verzadigd raakt en waterdamp begint te condenseren.
Lagedrukgebied waarin lucht op grote schaal samenstroomt en opstijgt. Vaak verbonden met wolken, wind en neerslag.
Sneeuw die door sterke wind wordt opgejaagd en zich kan ophopen tot sneeuwduinen.
Langdurige periode met een tekort aan neerslag en/of beschikbaar bodem- en oppervlaktewater.
Europees centrum dat onder andere wereldwijde numerieke weersverwachtingen berekent.
Gezamenlijk verlies van water door verdamping uit bodem en water én door transpiratie van planten.
Overgangszone tussen luchtmassa’s met verschillende eigenschappen, vooral temperatuur en vocht.
Warme en droge valwind aan de lijzijde van een gebergte, ontstaan nadat lucht aan de loefzijde is opgestegen en vocht heeft verloren.
Maat voor hoe koud of warm het voor mensen aanvoelt. Bij kou speelt vooral wind een belangrijke rol.
Zachte, witte korrels die ontstaan wanneer onderkoelde waterdruppels aan sneeuwkristallen vastvriezen.
Mistlaag die vooral dicht bij de grond voorkomt en vaak slechts enkele meters tot tientallen meters dik is.
Vorst vlak boven de grond terwijl de temperatuur op de officiële meethoogte nog boven 0 °C kan liggen.
Harde ijsdeeltjes die in sterke buienwolken groeien door herhaald op- en neergaan in de wolk.
Lichtring of boog rond zon of maan door breking en weerkaatsing van licht in ijskristallen.
Eenheid voor luchtdruk. Rond zeeniveau ligt de gemiddelde luchtdruk ongeveer rond 1013 hPa.
Informele benaming voor een zeer warme dag. Officiële klimaatstatistieken gebruiken onder meer zomerse en tropische dagen.
In Nederland: minstens vijf zomerse dagen op rij in De Bilt, waarvan minstens drie tropische dagen.
Gebied waar de luchtdruk hoger is dan in de omgeving. Dalende lucht remt vaak wolken- en neerslagvorming.
Lagedrukgebied op grotere hoogte in de atmosfeer, vaak gevuld met relatief koude lucht.
Zeer zware regenbui waarbij in korte tijd veel neerslag valt en lokaal wateroverlast kan ontstaan.
Dag waarop de maximumtemperatuur de hele dag onder 0 °C blijft.
Regen of motregen die bevriest zodra deze een koud oppervlak raakt en daardoor een gladde ijslaag vormt.
Laag waarin de temperatuur met de hoogte toeneemt in plaats van afneemt. Een inversie kan mist, lage bewolking of luchtverontreiniging vasthouden.
Lijn op een weerkaart die punten met dezelfde luchtdruk verbindt.
Engelse benaming voor de straalstroom: een smalle band met zeer sterke wind hoog in de atmosfeer.
Verwachting die aangeeft hoe waarschijnlijk een bepaalde weerssituatie of grenswaarde is.
Front waarbij koudere lucht oprukt en warmere lucht verdringt. Kan gepaard gaan met buien en winddraaiing.
Wind die tegen de klok in van richting verandert, bijvoorbeeld van zuidwest naar zuid.
Gebied met lagere luchtdruk dan de omgeving. Opstijgende lucht bevordert vaak wolken en neerslag.
Energie die vrijkomt of wordt opgenomen bij faseovergangen van water, bijvoorbeeld bij condensatie of verdamping.
De zijde die van de wind af ligt, bijvoorbeeld achter een dijk, gebouw of gebergte.
Druk die de luchtkolom boven een oppervlak uitoefent. Wordt meestal gemeten in hPa.
Grote hoeveelheid lucht met relatief gelijksoortige temperatuur- en vochtkenmerken.
Hoeveelheid waterdamp in de lucht. Vaak wordt de relatieve luchtvochtigheid in procenten gebruikt.
Zakvormige uitstulpingen onder een wolkenbasis, soms zichtbaar bij zware buiencomplexen.
Zeer kleine waterdruppeltjes in de lucht bij de grond die het zicht beperken.
Neerslag van zeer kleine waterdruppeltjes, meestal uit lage stratusbewolking.
Water dat uit de atmosfeer naar het aardoppervlak valt, zoals regen, sneeuw, hagel of motregen.
Hoeveelheid neerslag die per tijdseenheid valt, vaak uitgedrukt in millimeter per uur.
Radar die de locatie en intensiteit van neerslaggebieden meet door uitgezonden radiosignalen te analyseren.
Zichtvermindering door kleine waterdruppeltjes, maar minder sterk dan bij mist.
Computermodel dat de toekomstige toestand van de atmosfeer berekent uit natuurkundige vergelijkingen en actuele waarnemingen.
Front dat ontstaat wanneer een koufront een warmtefront inhaalt en de warme lucht van de grond wordt opgetild.
Weersituatie met elektrische ontladingen, meestal in krachtige buienwolken en vaak gecombineerd met zware regen, hagel of windstoten.
Afzonderlijke convectieve bui waarin bliksem voorkomt.
Tijdelijk of plaatselijk gebied met minder bewolking waardoor de zon of blauwe lucht zichtbaar wordt.
Tropische cycloon met zeer hoge aanhoudende windsnelheden. In de Beaufortschaal betekent windkracht 12 eveneens orkaankracht.
Neerslag die ontstaat wanneer vochtige lucht tegen heuvels of bergen wordt opgetild en afkoelt.
Vrij constante wind in de tropen die vanaf subtropische hogedrukgebieden richting de evenaar waait.
Korte, intensieve regenbui waarbij in korte tijd veel water kan vallen.
Grafiek met veel modelberekeningen naast elkaar. De spreiding geeft een indruk van de onzekerheid in de verwachting.
Relatief koude luchtmassa afkomstig uit hoge breedtegraden.
Naar zeeniveau herleide luchtdruk die in de luchtvaart wordt gebruikt om een hoogtemeter in te stellen.
Front dat nauwelijks van plaats verandert en daardoor langdurig bewolking of neerslag kan geven.
Maat voor de sterkte van het radarsignaal dat door neerslagdeeltjes wordt teruggekaatst.
Vloeibare neerslag in druppelvorm.
Kleurboog die ontstaat door breking, weerkaatsing en spreiding van zonlicht in regendruppels.
Relatief droog gebied aan de lijzijde van een gebergte doordat veel vocht al aan de loefzijde is uitgeregend.
Verhouding tussen de aanwezige hoeveelheid waterdamp en de maximaal mogelijke hoeveelheid bij dezelfde temperatuur, uitgedrukt in procenten.
IJskristallen die direct uit waterdamp op een koud oppervlak ontstaan wanneer dat oppervlak onder het vriespunt ligt.
Korte, plotselinge toename van de windsnelheid.
Beeld van wolken, vocht, temperatuur of andere atmosferische eigenschappen gemeten vanuit een weersatelliet.
Zie Beaufortschaal: indeling van windkracht van 0 tot en met 12.
Lage, horizontale wolkenbank aan de voorzijde van een krachtige bui, vaak vlak voor windstoten en hevige neerslag.
Sterk verhoogde concentratie luchtverontreiniging, vaak bevorderd door bepaalde weersomstandigheden zoals weinig wind of een inversie.
Neerslag van ijskristallen die vaak samenklonteren tot sneeuwvlokken.
Sneeuw die door krachtige wind wordt opgejaagd, waardoor zicht sterk kan teruglopen en sneeuwduinen kunnen ontstaan.
Opwaartse luchtbeweging, bijvoorbeeld in thermiek of in een buienwolk.
Volgens de Beaufortschaal windkracht 9 met een gemiddelde windsnelheid van ongeveer 75 tot 88 km/u.
Krachtig lagedrukgebied dat op grote schaal harde wind of storm kan veroorzaken.
Uitzonderlijk hoge waterstand langs de kust door een combinatie van getij, lage luchtdruk en krachtige aanlandige wind.
Smalle zone met zeer hoge windsnelheden op ongeveer 9 tot 12 kilometer hoogte die grote invloed heeft op de ontwikkeling en koers van weersystemen.
Lage, egale wolkenlaag die soms motregen geeft en in heuvelachtig terrein als mist kan voorkomen.
Langlevende onweersbui met een roterende stijgstroom. Kan zware hagel, zeer zware windstoten en soms tornado’s veroorzaken.
Maat voor warmte of kou van de lucht, in Nederland meestal uitgedrukt in graden Celsius.
Plaatselijke stijgende luchtbellen die ontstaan doordat het aardoppervlak door de zon ongelijk wordt verwarmd.
Snel roterende luchtkolom die vanuit een buienwolk contact maakt met het aardoppervlak.
Krachtig lagedruksysteem boven warm tropisch zeewater met georganiseerde onweersbanden en sterke draaiende wind.
Dag waarop de maximumtemperatuur 30,0 °C of hoger bereikt.
Tropische cycloon die nog niet de winddrempel voor orkaankracht heeft bereikt.
Onderste laag van de atmosfeer waarin vrijwel al het dagelijkse weer plaatsvindt.
Maat voor de sterkte van ultraviolette zonnestraling aan het aardoppervlak en het risico op huidschade.
Sterke neerwaartse luchtstroom uit een bui die bij de grond horizontaal uitspreidt en plotselinge zware windstoten kan geven.
Overgang van vloeibaar water naar waterdamp.
Toestand waarin lucht bij een bepaalde temperatuur de maximale hoeveelheid waterdamp bevat.
Situatie waarin de luchttemperatuur op de officiële meethoogte onder 0 °C daalt.
Dag waarop de minimumtemperatuur lager is dan 0,0 °C.
Temperatuur waarbij vloeibaar water onder normale omstandigheden bevriest, rond 0 °C.
Front waarbij warmere lucht oprukt over koudere lucht. Vaak voorafgegaan door toenemende gelaagde bewolking en langdurige neerslag.
Trechtervormige roterende luchtkolom boven water. Waterhozen komen onder meer boven het IJsselmeer voor.
Benaming voor code rood van het KNMI bij een gevaarlijke weersituatie met mogelijk grote maatschappelijke ontwrichting.
Grenszone tussen twee verschillende luchtmassa’s. Zie ook koufront, warmtefront en occlusiefront.
Computermodel dat op basis van waarnemingen en natuurkundige wetten een weersverwachting berekent.
Horizontale luchtstroming die ontstaat door verschillen in luchtdruk.
Engelse term voor gevoelstemperatuur bij kou, waarbij het extra warmteverlies door wind wordt meegenomen.
Aanduiding van gemiddelde windsnelheid, vaak volgens de Beaufortschaal.
Richting waaruit de wind komt. Een westenwind waait dus van west naar oost.
Verandering van windsnelheid en/of windrichting met hoogte of afstand. Belangrijk voor luchtvaart en onweersontwikkeling.
Kortdurende piek in windsnelheid boven de gemiddelde wind.
Verandering van de windrichting met de klok mee, bijvoorbeeld van zuid naar west.
Verzameling van kleine waterdruppeltjes, ijskristallen of een combinatie daarvan die in de atmosfeer zweeft.
Hoogte van de onderkant van een wolkenlaag boven de grond.
De hoeveelheid van de hemel die door wolken wordt bedekt.
Lokale wind vanaf zee richting land die vaak overdag ontstaat wanneer het land sterker opwarmt dan het water.
Horizontale afstand waarop objecten nog herkenbaar kunnen worden waargenomen. Mist, neerslag en stof kunnen het zicht verminderen.
Dag waarop de maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger bereikt.
Sterkte van ultraviolette zonnestraling. Wordt praktisch weergegeven met de UV-index.
Elektromagnetische energie van de zon die de aarde bereikt en de belangrijkste energiebron voor het weer vormt.
Onweerssituatie met verhoogde kans op verschijnselen als zware windstoten, veel regen, grote hagel of talrijke bliksemontladingen.
Regen met voldoende intensiteit of duur om hinder, aquaplaning, wateroverlast of overstroming te kunnen veroorzaken.
Korte windpiek met een hoge snelheid die schade en gevaar kan veroorzaken. Het KNMI gebruikt voor waarschuwingen drempels die afhangen van gebied, seizoen en verwachte impact.
De uitleg is bedoeld als praktische meteorologische woordenlijst. Voor officiële weerwaarschuwingen en actuele veiligheidsadviezen blijft het KNMI de primaire bron.
Bekijk actuele weerwaarschuwingen →